Waarom ‘gezond lijken’ niet hetzelfde is als.. (13-03)

Wanneer was de laatste keer dat je dacht: “Mijn kat is echt optimaal gezond”?

Niet “hij lijkt gezond” of “de dierenarts zegt dat alles goed is.” Maar echt: “Hij floreert. Hij heeft ruimte. Zijn lichaam heeft capaciteit over.”

Waarschijnlijk nooit.

En dat is niet omdat je iets verkeerd doet. Het is omdat niemand ons ooit heeft geleerd hoe floreren eruitziet.

We hebben geen referentiekader voor wat optimale gezondheid betekent. Alleen voor wat “nog net acceptabel” is.

Het is net als met die vraag: “Hoe gaat het?”

Niemand zegt ooit: “Fantastisch, ik heb energie voor dagen.”

Iedereen zegt: “Gaat wel.” Of: “Druk.”

Want als je zegt dat het echt goed gaat, denken mensen dat je opschept, haha.

Maar is het verschil tussen functioneren en floreren:

Een kat die functioneert…

Eet zijn voer op.

Speelt af en toe.

Heeft geen acute klachten.

“Lijkt gezond” volgens alle standaarden.

Zijn bloedwaarden zitten binnen de marges die de dierenarts hanteert.

Maar onder de oppervlakte compenseert zijn lichaam voortdurend. Het draait met de handrem licht aangetrokken. Er is geen acute crisis, maar er is ook geen overvloed aan energie. Geen reservecapaciteit voor wanneer het moeilijk wordt.

Een kat die floreert…

Heeft een energieoverschot dat je kunt zien en voelen.

Hij is speels en nieuwsgierig, niet alleen af en toe maar consistent.

Zijn vacht glanst.

Zijn ogen zijn helder en alert.

Hij heeft een stabiel gewicht en beweegt soepel, zonder stijfheid.

Als er stress komt (een verhuizing, een bezoek aan de dierenarts, een nieuwe kat in de buurt)… herstelt hij snel.

Zijn lichaam heeft ruimte om te reguleren. Om zich aan te passen. Om te floreren in plaats van alleen maar te overleven.

Het verschil is subtiel, maar cruciaal.

Bij mensen noemen onderzoekers dit “weathering”, een term bedacht door professor Arline Geronimus in de jaren ’90. 

Onderzoek toont aan dat chronische stress leidt tot versnelde biologische veroudering, gemeten via biomarkers zoals allostatic load (deze ken je inmiddels) en telomeerlengte

Bij katten zien we hetzelfde patroon, al gebruikt de veterinaire literatuur die specifieke term niet.

Dus een kat kan jarenlang functioneren terwijl zijn beker 85-95% vol is. Zijn lichaam constant aan het compenseren is. Zijn organen harder werken dan bedoeld.

En dan, op een dag, bereikt de beker 100%.

Dan krijg je de crisis. Het moment waarop het lichaam moet toegeven dat het niet langer kan compenseren.

En dan lijkt het alsof het probleem ineens is ontstaan. Terwijl het lichaam al maanden of jaren aan het waarschuwen was.

Het is net als met die ene partner die altijd zegt: “Nee hoor, ik kijk nog steeds tv.” En 3 seconden later hoor je hem snurken.

(Ahumm, ikkee hahah)

Je lichaam geeft signalen. Maar wij negeren ze tot het niet meer kan.

Dit is wat er met Binky gebeurde. En wat ik pas achteraf begreep.

Hij functioneerde jarenlang. Ik zag een “gezonde kat.” Hij at goed, hij speelde, hij deed alles wat een kat hoort te doen. Ook de nodige kattenkwaad trouwens 🙂

De dierenarts zei bij elk bezoek: “Alles lijkt prima, de bloedwaarden zijn goed.”

Maar onder de oppervlakte draaide Binky’s lichaam op volle capaciteit. Constant.

Zijn nieren compenseerden voor het chronische vochttekort dat het droogvoer veroorzaakte.

Zijn darmen werkten overuren om de harde, droge korrels te verwerken die nooit zijn natuurlijke voeding zouden zijn geweest.

Zijn immuunsysteem vocht tegen de additieven en plantaardige grondstoffen die ik hem elke dag gaf zonder het door te hebben.

Hij functioneerde. Maar hij floreerde niet.

Maar ik zag het verschil niet. Omdat ik niet wist waarnaar ik moest kijken.

Ik dacht dat “geen symptomen” gelijk stond aan “gezond.” Terwijl zijn beker langzaam maar zeker voller werd.

En toen kwam de eerste blaasgruis-episode.

De druppel die de emmer deed overlopen. Het moment waarop het lichaam zei: “Genoeg. Ik kan niet meer compenseren. Ik heb geen ruimte meer.”

En dit is het pijnlijke deel. Het inzicht dat achteraf zo duidelijk is maar toen volledig aan me voorbijging: als ik die blaasgruis had gezien als een cadeau… als een waarschuwingssignaal dat het lichaam me stuurde… dan had alles anders kunnen zijn.

Als ik had begrepen dat dit niet “het probleem” was maar het signaal dat de totale belasting te hoog was geworden… dan had ik niet alleen het voer gewisseld.

Dan had ik de vraag gesteld die er werkelijk toe doet: “Wat vult Binky’s beker en hoe kan ik daar iets aan doen?”

Maar zoals ik in de vorige emails al zei, NIEMAND stelt die vraag.

Niet de dierenarts, niet de online fora, niet de Facebook-groepen vol goedbedoelende katteneigenaren.

Omdat niemand het beker-model kent. Omdat het systeem waarin we opereren (dierenartsen, voerfabrikanten, alle advieskanalen) fundamenteel gebouwd is op symptoombestrijding achteraf. Niet op belastingvermindering vooraf.

Dus het hele systeem reageert op crises in plaats van ze te voorkomen.

Nou wil ik je laten zien hoe het verschil in benadering eruit ziet, maar ik hoor net dat de bussen niet rijden. 

Dus ik ga dat verhaal naar volgende week verplaatsen zodat ik mijn zoon naar Zutphen kan brengen. 

Groetjes,
Hamist