Functioneren vs. floreren
Hier is een waarheid die moeilijk te accepteren is: functioneren is niet hetzelfde als floreren.
En de meeste katten functioneren. Ze overleven, ze passen zich aan, ze compenseren. Hun lichamen doen wat nodig is om de dag door te komen.
Maar ze floreren niet. Ze leven niet met de energie en vitaliteit waartoe hun lichaam in staat is. Ze voelen zich niet in een staat van Mojo (zoals de ster van de hit show My Cat From Hell aangeeft).
En het vreemde is dat we dit verschil vaak niet eens zien, omdat we gewend zijn geraakt aan “functioneren” als de norm.
Maar laat me je een vraag stellen:
Wanneer was de laatste keer dat je dacht: “Mijn kat is echt optimaal gezond”? Niet “hij lijkt gezond” of “de dierenarts zegt dat alles goed is,” maar echt: “Hij floreert. Hij heeft ruimte. Zijn lichaam heeft capaciteit over.”
Waarschijnlijk nooit. En dat is niet omdat je iets verkeerd doet. Het is omdat niemand ons ooit heeft geleerd hoe floreren eruitziet.
We hebben geen referentiekader voor wat optimale gezondheid betekent, alleen voor wat “nog net acceptabel” is.
Dit is het verschil tussen functioneren en floreren:
Een kat die functioneert eet zijn voer op, speelt af en toe, heeft geen acute klachten, “lijkt gezond” volgens alle standaarden. Zijn bloedwaarden zitten binnen de marges die de dierenarts hanteert.
Maar onder de oppervlakte compenseert zijn lichaam voortdurend, draait het met de handrem licht aangetrokken. Er is geen acute crisis, maar er is ook geen overvloed aan energie, geen reservecapaciteit voor wanneer het moeilijk wordt.
Een kat die floreert daarentegen, heeft een energieoverschot dat je kunt zien en voelen. Hij is speels en nieuwsgierig, niet alleen af en toe maar consistent. Zijn vacht glanst, zijn ogen zijn helder en alert. Hij heeft een stabiel gewicht en beweegt soepel, zonder stijfheid. Als er stress komt (een verhuizing, een bezoek aan de dierenarts, een nieuwe kat in de buurt) herstelt hij snel.
Zijn lichaam heeft ruimte om te reguleren, om zich aan te passen, om te floreren in plaats van alleen maar te overleven. Het verschil is subtiel, maar cruciaal.
Een kat kan jarenlang functioneren terwijl zijn beker 85-95% vol is, zijn lichaam constant aan het compenseren is, zijn organen harder werken dan bedoeld.
En dan, op een dag, bereikt de beker 100%.
Dan krijg je de crisis, het moment waarop het lichaam moet toegeven dat het niet langer kan compenseren.
En dan lijkt het alsof het probleem ineens is ontstaan, terwijl het lichaam al maanden of jaren aan het waarschuwen was.
Dit is wat er met Binky gebeurde, en wat ik pas achteraf begreep
Hij functioneerde jarenlang. Ik zag een “gezonde kat”, hij at goed, hij speelde, hij deed alles wat een kat hoort te doen (ook de nodige kattenkwaad haha).
De dierenarts zei bij elk bezoek: “Alles lijkt prima, de bloedwaarden zijn goed.”
Maar onder de oppervlakte draaide Binky’s lichaam op 90% capaciteit, constant.
Zijn nieren compenseerden voor het chronische vochttekort dat het droogvoer veroorzaakte.
Zijn darmen werkten overuren om de harde, droge korrels te verwerken die nooit zijn natuurlijke voeding zouden zijn geweest.
Zijn immuunsysteem vocht tegen de additieven en vulstoffen die ik hem elke dag gaf zonder het door te hebben.
Hij functioneerde. Maar hij floreerde niet. En ik zag het verschil niet, omdat ik niet wist waarnaar ik moest kijken.
Ik dacht dat “geen symptomen” gelijk stond aan “gezond,” terwijl zijn beker langzaam maar zeker voller werd.
En toen kwam de eerste blaasgruis-episode.
De druppel die de emmer deed overlopen. Het moment waarop het lichaam zei: “Genoeg. Ik kan niet meer compenseren. Ik heb geen ruimte meer.”
En hier is het pijnlijke deel, het inzicht dat achteraf zo duidelijk is maar toen volledig aan me voorbijging:
Als ik die blaasgruis had gezien als een cadeau, als een waarschuwingssignaal dat het lichaam me stuurde, dan had alles anders kunnen zijn.
Als ik had begrepen dat dit niet “het probleem” was maar het signaal dat de totale belasting te hoog was geworden, dan had ik niet alleen het voer gewisseld.
Dan had ik niet alleen een ander merk geprobeerd of een speciaal dieetvoer aangeschaft.
Dan had ik de vraag gesteld die er werkelijk toe doet: “Wat vult Binky’s beker en hoe kan ik daar iets aan doen?”
Maar niemand stelt die vraag.
Niet de dierenarts, niet de online fora, niet de Facebook-groepen vol goedbedoelende katteneigenaren.
Omdat niemand het beker-model kent, omdat het systeem waarin we opereren (dierenartsen, voerfabrikanten, alle advieskanalen) fundamenteel gebouwd is op symptoombestrijding achteraf, niet op belastingvermindering vooraf.
Het hele systeem reageert op crises in plaats van ze te voorkomen.
Laat me je het verschil zien tussen deze twee benaderingen:
DE OUDE BENADERING (Symptoombestrijding):
Je kat krijgt een probleem, je gaat naar de dierenarts, je krijgt een diagnose en een protocol. Het protocol vertelt je vaak: “Geef dit specifieke voer” of “Geef deze medicatie.” Het symptoom verdwijnt, tijdelijk althans. Je denkt dat het probleem is opgelost.
Maar de beker blijft 85% vol, want je hebt alleen dat ene symptoom aangepakt, niet de onderliggende belasting. En drie tot zes maanden later verschijnen er nieuwe symptomen, of hetzelfde probleem keert terug.
Je krijgt een nieuw protocol, een nieuw voer, een nieuwe medicatie. De cyclus herhaalt zich, en je blijft gevangen in een patroon van reageren op problemen zodra ze zich voordoen.
DE NIEUWE BENADERING (Belastingvermindering):
Je ziet een symptoom en begrijpt dat dit een signaal is dat de beker overloopt.
In plaats van alleen het symptoom aan te pakken, analyseer je: wat vult de beker? Je kijkt naar alle belastingsfactoren, voeding, vocht, additieven, stress, beweging, medische geschiedenis.
Je prioriteert: wat kan als eerste omlaag? Welke factor weegt het zwaarst? Je implementeert kleine, haalbare stappen, één voor één. Je monitort de vooruitgang niet alleen aan de hand van bloedwaarden, maar ook door te kijken naar gedrag, energie, vitaliteit.
Je stabiliseert: de beker daalt naar 60-70%, er ontstaat ruimte. En in die ruimte kan het lichaam eindelijk doen waarvoor het ontworpen is: floreren.
Het verschil tussen deze twee benaderingen is fundamenteel.
In de oude benadering blijft de beker vol, blijf je symptomen bestrijden, blijf je reageren op crises zodra ze zich voordoen.
In de nieuwe benadering creëer je structureel ruimte, voorkom je dat de beker overloopt, bouw je veerkracht op zodat het lichaam stress en veranderingen kan opvangen zonder direct in crisis te raken.
Toen ik dit eindelijk begreep veranderde alles voor Binky
We gingen niet switchen van het ene merk voer naar het andere. We gingen niet op zoek naar “het perfecte dieet” dat al zijn problemen zou oplossen.
We gingen systematisch de beker leegmaken, stap voor stap, belastingsfactor voor belastingsfactor. En hier is hoe we dat deden.
Eerste stap: Vocht verhogen. We begonnen met de grootste belastingsfactor: het chronische vochttekort. Maar ik probeerde niet om Binky te “dwingen” meer te drinken uit zijn waterbak, want dat werkt niet bij katten (katten zijn van nature woestijndieren en hebben een lage dorstreflex).
In plaats daarvan vervingen we geleidelijk het droogvoer door natvoer, langzaam over een periode van tien dagen om zijn darmen de tijd te geven om te wennen.
Daarnaast zetten we een waterfontein neer want katten drinken vaak liever uit stromend water en plaatsten we meerdere waterplekken door het huis.
Het resultaat?
Binnen twee weken werd zijn urine lichter van kleur, een duidelijk teken dat zijn nieren eindelijk het vocht kregen dat ze nodig hadden. Binky begon ook meer te drinken uit de fontein, aangetrokken door het bewegende water.
De eerste belasting was omlaag.
Tweede stap: Additieven elimineren. Zodra het vocht op orde was, keken we naar de volgende belastingsfactor: alle rommel die zijn lichaam moest verwerken. We schakelden alle snacks uit die vol zaten met bewaarmiddelen, granen en E-nummers.
In plaats daarvan gaven we hem alleen nog pure vleessnacks, freeze-dried zonder toevoegingen. Het voer dat we kozen bevatte geen vulstoffen, geen granen, geen kunstmatige toevoegingen.
Het resultaat? Zijn lever en immuunsysteem kregen eindelijk een pauze, hoefden niet meer constant te filteren en neutraliseren. De tweede belasting was omlaag.
Derde stap: Voer-timing aanpassen. We veranderden van twee grote maaltijden per dag naar drie tot vier kleinere porties, verspreid over de dag.
Dit komt dichter bij het natuurlijke graasgedrag van katten, die in het wild tien tot twintig kleine maaltijden eten verspreid over 24 uur, telkens na een succesvolle jacht.
Het resultaat? Zijn bloedsuikerspiegel werd stabieler, zonder de grote pieken en dalen die zijn alvleesklier onder druk zetten. De derde belasting was omlaag.
Vierde stap: Omgevingsverrijking. Ten slotte pakten we de bewegingsarmoede en chronische stress aan. We creëerden verticale ruimte in het appartement door een kattenboom te plaatsen en planken aan de muur te bevestigen waar hij op kon klimmen.
We speelden twee keer per dag tien minuten met hem, waarbij we zijn jachtgedrag simuleerden met speeltjes die hij kon “vangen.”
We voegden uitdaging toe aan zijn omgeving zodat hij gestimuleerd werd in plaats van zich te vervelen.
Het resultaat? Meer beweging, minder chronische stress, zijn natuurlijke gedrag werd gestimuleerd. De vierde belasting was omlaag.
En na 10 weken?
Geen blaasgruis meer. De episodes die maandenlang steeds terugkwamen, bleven nu weg. Zijn vacht werd glanzender dan ik hem ooit had gezien. Hij had meer energie, speelde vaker en langer. Hij was niet alleen “gezond” volgens de bloedwaarden, hij floreerde. En ik kon het verschil zien, voelen, aanraken.
Dit was niet gebeurd omdat we het “perfecte voer” hadden gevonden, want zoiets bestaat niet.
Dit was gebeurd omdat we structureel ruimte hadden gecreëerd in zijn beker. We hadden zijn totale belasting verlaagd van 90% naar ongeveer 60-65%.
En in die ruimte, die 35-40% extra capaciteit, kon zijn lichaam eindelijk doen waarvoor het ontworpen is: zichzelf reguleren, herstellen, floreren.
En het mooiste van alles?
Ik begreep nu het systeem. Ik kon zelf zien wanneer de beker begon te vullen:
- Wanneer zijn urine donkerder werd
- Wanneer zijn energie afnam
- Wanneer kleine signalen me vertelden dat de belasting weer aan het oplopen was.
En ik kon zelf ingrijpen voordat er overflow ontstond.
Ik had eindelijk controle, niet op een reactieve manier waar ik wachtte tot er problemen waren, maar op een proactieve manier waar ik voorkwam dat problemen ontstonden.
En dat is de kracht van begrijpen hoe de beker werkt, van het verschil kennen tussen functioneren en floreren.
Dus toen ik dit eenmaal door had en verschillende katteneigenaren heb geholpen met hun kat, heb ik een methode ontwikkeld om meer structuur te krijgen in mijn aanpak.